Besluiten over erfgoed als discursieve strijd
Er kunnen verschillende erfgoedopvattingen worden onderscheiden. In de basis voeren deze terug op het onderscheid tussen een ‘materiële’ (of historisch-essentialistische) en immateriële (of sociaal-constructivistische) opvatting. In de eerste opvatting wordt erfgoed gezien als tastbare ‘objecten’, zoals monumentale gebouwen, roerende historische en archeologische objecten en cultuurhistorische landschappen. Historische culturele tradities horen hier overigens ook bij. De waarde van erfgoed is intrinsiek aan het object en experts doen (academisch) onderzoek naar dat erfgoed om de historische authenticiteit vast te stellen. De tweede opvatting staat hier diametraal tegenover. In de immateriële erfgoedopvatting wordt erfgoed gezien als een sociale en culturele praktijk. Het verleden speelt een belangrijke rol in de constructie van sociale identiteiten en individuen en gemeenschappen selecteren geschiedenissen om henzelf een plek in het heden te verschaffen. Bij de geselecteerde geschiedenissen worden symbolen gezocht die deze identiteiten onderbouwen en uitdrukken en krijgen de betekenis van cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed als culturele en sociale praktijk zijn daarom wezenlijk processen van betekenisgeving waarin sociale en fysieke fenomenen geen erfgoed zijn (zoals in de materiële visie), maar de betekenis van erfgoed krijgen. Taal, of beter discours, is volgens verschillende erfgoedwetenschappers de manier waarop betekenisgeving tot stand komt. Erfgoed is dus niet enkel een sociale en culturele praktijk, maar ook een discursieve praktijk (zie onder meer Smith 2006; Duineveld en Kolen 2009). In mijn onderzoek sluit ik aan bij de immateriële (sociaal-constructivistische) erfgoedopvatting.
Erfgoed als sociale praktijk, of korter gezegd ‘erfgoedpraktijk’, heeft een publieke dimensie. Dat betekent dat op de één of andere manier het openbaar bestuur betrokken is bij de selectie en het beheer van erfgoed. De erfgoedpraktijk is vaak dus ook een beleid- en besluitvormingspraktijk. Het is ook de focus van mijn onderzoek: besluiten over erfgoedselectie- en beheer als erfgoedpraktijk en als beleid- en besluitvormingspraktijk. Deze praktijk kenmerkt zich door een discursieve strijd over de betekenisgeving van sociale en fysieke fenomenen als cultureel erfgoed. Onder andere in mijn dissertatieonderzoek probeer ik te duiden hoe die discursieve strijd over erfgoed
Er zijn verschillende erfgoeddiscoursen te onderscheiden die strijden over het vastleggen van de betekenis van het erfgoedbegrip. Deze discoursen hebben elk een eigen erfgoedopvatting die bepaalt wat er wel en niet als erfgoed aangemerkt kan worden, waarom, hoe daar dan mee om moet worden gegaan en wie daar gezaghebbende uitspraken over kunnen doen. Ik onderscheid vijf erfgoeddiscoursen. De eerste is het klassieke erfgoeddiscours, of expert discours. In dit discours wordt erfgoed gedefinieerd als historische objecten, waaronder monumentale gebouwen en roerende objecten. De erfgoedwaarde van deze objecten ligt besloten in het object zelf en moeten op basis van academisch onderzoek worden vastgesteld. Vanzelfsprekend spelen erfgoedexperts hierin een belangrijke rol, omdat zij hiervoor de juiste scholing hebben genoten. De omgang met erfgoed is gelimiteerd en gericht op conserveringsmaatregelen. Het tweede discours betreft het planologische erfgoeddiscours. Dit lijkt in sterke mate op het vorige, maar rekt het erfgoedbegrip op naar monumentale gebouwen, ensembles en cultuurlandschappen. Het gebouwde erfgoed wordt niet meer op zichzelf gewaardeerd, maar in relatie tot de landschappelijke context. Dat betekent dat er naast klassieke erfgoedexperts nu ook landschapshistorici en planologen tot de groep van experts worden gerekend en daarom gezaghebbende uitspraken over het erfgoed kunnen doen. Het derde erfgoeddiscours, het gemeenschapsdiscours verwerpt het materiële karakter van de vorige twee discoursen en legt de nadruk op erfgoed als de functie van erfgoed voor de identiteitsconstructie van sociale identiteiten. Alles kan in dit discours erfgoed zijn zolang het een functie en betekenis heeft voor gemeenschappen. Het zijn dan ook vooraleerst gemeenschappen die bepalen wat erfgoed is, en niet langer erfgoedexperts. Dit impliceert ook een andere vorm van omgang. Erfgoed kan enkel zijn betekenis als erfgoed behouden als de gemeenschap zich ertoe kan verhouden en het erfgoed kan gebruiken. Het vierde discours is een variant op het gemeenschapsdiscours. In dit discours, het instrumentele erfgoeddiscours, zijn het echter niet de leden van een gemeenschap die bottom-up erfgoed selecteren, maar de sociale en politieke elite die het erfgoed selecteren omdat de door hen geselecteerde geschiedenissen en objecten als erfgoed een door hen gewenste identiteit symboliseren. Het vijfde discours betreft het economische erfgoeddiscours. Bij dit discours gaat het om de verkoopbaarheid van (historische) objecten en geschiedenissen. Erfgoed is in de kern een commodity (Rodenberg 2015; 2018).
Besluitvorming over erfgoedselectie en -beheer kenmerkt zich in de regel door strijd tussen deze erfgoeddiscoursen in het geven van het antwoord op de vraag waarom een sociaal of fysiek fenomeen erfgoed is. Een gaaf voorbeeld hiervan is de besluitvorming over het plaatsen van de Noordoostpolder op de Voorlopige Lijst Werelderfgoed. Aanvankelijk waren het erfgoedexperts die in opdracht van staatssecretaris Halbe Zijlstra de polder als erfgoed waardeerden vanwege intrinsieke kenmerken van de polder. Deze experts stelden dat de polder een unieke planologische ontstaansgeschiedenis heeft en een mooi voorbeeld is van het ‘maakbaarheidsdenken’ van de 20e eeuw, dat nog altijd zichtbaar is in het landschap uitgedrukt in een specifiek verkavelingspatroon. Ook de stedenbouwkundige uitleg volgens ‘Chrystallers centrale plaatsen theorie’ speelt hierbij een rol. Onmiskenbaar dominant is dus het planologische erfgoeddiscours. Dit betekent ook dat er beheersmaatregelen getroffen moeten worden om dat unieke karakter te behouden. Hier vraagt de Unesco Werelderfgoedcommissie ook om. Het is echter niet de commissie die bepaalt hoe een dergelijk arrangement eruit ziet; dat is de taak van het lokale openbaar bestuur om daar zorg voor te dragen. In het publieke debat dat zich rond deze voordracht ontspon werden twee kritieken naar voren gebracht. Het eerste punt van kritiek betrof de waardering van de polder als erfgoed. Een coalitie van agrariërs, ondernemers en een lokale politieke partij beargumenteerde dat de waarde van de polder als erfgoed besloten ligt in het agrarische gebruik ervan. Ten tweede werd er gevreesd voor de behouds- en beheersmaatregelen. De angst was dat dit betekende dat er een ‘kaasstolp’ over de Noordoostpolder zou worden geplaatst die elke vorm van ontwikkeling zou verhinderen. Een gemeenschapserfgoeddiscours vermengde zich zodoende met een geheel andere type discours over economie en de polder als agrarisch productielandschap. Het waren uiteindelijk de tegenstanders van plaatsing die de (discursieve) strijd over de betekenis van de Noordoostpolder wonnen.
Een ander mooi voorbeeld van discursieve strijd als kenmerk van besluiten over erfgoed is de constructie van erfgoedthemapark Batavialand. Dit erfgoedthemapark aan de Lelystadse kust is een samengaan van drie oorspronkelijk zelfstandige erfgoedinstellingen: het voormalige poldermuseum Nieuw Land Erfgoedcentrum (NLE), het scheepsarcheologisch depot van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Bataviawerf. De eerste twee instellingen articuleerden aanvankelijk het expertdiscours. Het NLE richtte zich op onderzoek naar historische objecten en bepaalde op basis van dat onderzoek de museale waarde ervan. Iets vergelijkbaars deed het scheepsarcheologisch depot die als kerntaak had om met name scheepswrakken te conserveren. De Bataviawerf bezigde primair een economisch erfgoeddiscours. De instelling moest zijn eigen financiële broek ophouden en is daarvoor afhankelijk van betalende bezoekers. Het aanbieden van een aansprekende historische beleving was daarom de kern van hun activiteit. Op basis van de uitgangspositie zou het de verwachting zijn dat het expertdiscours uiteindelijk dominant zou zijn voor de constructie van het erfgoedthemapark. Het was echter het economische discours dat dominant zou worden. Dit kwam mede vanwege een terugtrekkende lokale en regionale overheid en de beperking van financiële middelen van de overheid voor het NLE en het scheepsarcheologisch depot. De politieke druk om een erfgoedinstelling op te tuigen dat financieel onafhankelijk van de gemeente en de provincie zou staan gaf een economisch erfgoeddiscours de wind in de zeilen (Rodenberg 2018).
Meer weten over erfgoed als sociale en discursieve praktijk?
Smith, L. 2006. Uses of heritage. Londen en New York: Routledge.
Meer weten over verschillende erfgoeddiscoursen en voorbeelden van discursieve strijd?
Rodenberg, J. 2015. De bestuurlijke omgang met verleden, heden en toekomst: of hoe de Noordoostpolder geen Werelderfgoed werd. In R. van Diepen, W. van der Most en H. Pruntel (Eds.), Polders peilen . (Cultuurhistorisch jaarboek voor Flevoland; No. 25). Lelystad: Stichting Uitgeverij De Twaalfde Provincie. pp. 130-153.
Rodenberg, J. 2018. Nieuw land, oude verhalen: de constructie van erfgoedthemapark Batavialand. In A.J.G.M. van Montfort (ed.), Betrouwbaar en degelijk bestuur: Liber Amicorum Rudie Hulst. Oisterwijk: Wolf Legal Publishers, pp. 77-89.
Literatuur
Duineveld, M. en J. Kolen. 2009. Het sociaalwetenschappelijk onderzoek van erfgoed. In A. van der Zande en R. During (eds), Erfgoed en ruimtelijke planning; Sterft, gij oude vormen en gedachten!. Planologie, reeks over planning en beleid van de fysieke leefomgeving, no. 12, Den Haag, pp. 133-151.
Rodenberg, J. 2015. De bestuurlijke omgang met verleden, heden en toekomst: of hoe de Noordoostpolder geen Werelderfgoed werd. In R. van Diepen, W. van der Most en H. Pruntel (Eds.), Polders peilen . (Cultuurhistorisch jaarboek voor Flevoland; No. 25). Lelystad: Stichting Uitgeverij De Twaalfde Provincie. pp. 130-153.
Rodenberg, J. 2018. Nieuw land, oude verhalen: de constructie van erfgoedthemapark Batavialand. In A.J.G.M. van Montfort (ed.), Betrouwbaar en degelijk bestuur: Liber Amicorum Rudie Hulst. Oisterwijk: Wolf Legal Publishers, pp. 77-89.
Smith, L. 2006. Uses of heritage. Londen en New York: Routledge.
